• Johan Boef

Martin Ros is overleden


Martin is niet meer. En ik voel het onvermogen hem een geschreven laatste saluut te brengen, want hoe kan ik de man recht doen, die zoveel voor de Nederlandse leescultuur heeft betekend, die zelf een buitengewoon fijne pen had en prachtige boeken schreef, die de neergang van de radio met zijn rubriek hoogstpersoonlijk met een jaar of 10 wist te vertragen, die met zoveel liefde over een boek kon spreken dat zijn hart oprecht had beroerd? Hoe kan ik de man recht doen die ook mij een kans gaf, waardoor ik sta waar ik nu sta? Het is een onmogelijke opdracht.


Hij was een man van het volk, vond dat van zichzelf, maar was dat ook. Boertig, op het lompe af soms, maar tegelijkertijd fijngevoelig en emotioneel, soms op en over het randje van sentimenteel. En dan kon hij je zo lekker verrassen met z’n totaal onaangepaste gedrag. 'Even een plas doen' zei hij dan als hij bij het TROS-gebouw de struiken net niet ver genoeg inliep om ’s even lekker in de tuin te ontwateren. En daar stond ik dan met een tas boeken van een kilo of 60 te bidden dat hij een beetje opschoot. En dat deed hij nooit. Die boeken droeg ik soms voor 'm naar beneden, en de tas werd steevast geleegd in zijn Peugeot 205 die toch al scheef hing van de andere 3000 boeken waar hij mee rondreed.


De man leefde boeken. Hij koesterde ze, vrat ze. 'Van de leeswolf bevangen' noemde hij dat. Stapelde ze tegen de muren van zijn huis, op de trap, in de vensterbanken, op de tafels, tot aan het plafond. En zelfs als hij ze niet kon lezen, dan liefkoosde hij ze. Dan belandde een stapel Russische romans op zijn bureau. In het Russisch, maar Martin riep dan: 'geweldig, geweldig, wat een grootse werken, wat een wonderen van vernuft'. En op de vraag hoe hij dat wist, zonder een woord Russisch te kunnen lezen, sloeg hij het bovenste boek van de stapel open, duwde zijn neus tussen de stoffige bladzijden, snoof er luid hoorbaar aan en riep dan verrukt en gelukzalig: "Maar ruik dit dan, dit geurt naar grootsheid!" De boeken werden vervolgens allemaal vertaald en uitgegeven.

Met zijn rubriek in de TROS-Nieuwsshow bereikte hij meer potentiële lezers dan welke recensent dan ook. Hij was een belangrijke reden waarom het radio-magazine het best beluisterde programma op de vaderlandse radio was en bleef. Werd je boek door Martin besproken, dan kon die tweede en derde druk vast worden klaargezet. Hij nam daarbij geen blad voor de mond. Hij speelde een spel met de presentatoren, wat altijd spannende radio opleverde, hoewel niet altijd tot ieders genoegen. 'Voor jou heb ik nog een romannetje Mieke', zei hij dan quasi-onschuldig, terwijl Peter de Bie op zijn lippen beet om het niet uit te proesten. Vond hij een boek mooi, dan kon hij er bijna in tranen uit voordragen. Vond hij een boek niks, had hij een hekel aan een bepaalde schrijver, dan ging de botte bijl er vol in. Ronald Giphart moest het bijvoorbeeld steevast ontgelden. 'Kut-lul-kont'-boekjes noemde hij 'die schrijfseltjes' dan.


Richting bevrijdingsdag besprak hij graag oorlogsboeken, hoewel hij daar steeds eerder mee begon. Was het eerst een maand van te voren, het verschoof een jaar later naar 2 maanden, weer een jaar later begon hij al in januari en nog een jaar verder ging het het heel jaar door over weinig anders. Je zag dat het niet goed met hem ging, zijn interesse voor de Tweede Wereldoorlog ging griezelig snel over in een obsessie. Maar binnen die obsessie had hij ronduit prachtige momenten. Ik voel nog altijd de emotie als ik terugdenk aan hoe hij het gedicht De Achttien Doden van Jan Campert voordroeg, ergens in 2002. Hij brak tijdens het voordragen nét niet, maar erna wel. 'Daar wordt ik nou zenuwachtig van', zei hij onhandig en met tranen in zijn ogen.


Het was ook de tijd dat hij volop ingehuurd werd om te spreken. Doorgaans maakte hij daar zo’n bende van dat geen enkel cabaretprogramma er tegenop kon. Dan dwaalde hij bij de perspresentatie van de schaatsploeg van TVM gewoon af richting de jaren 20 en 30. En vroeg Sven Kramer of hij nog wist wie Kay Arne Stenshjemmet was. En dan had hij geluk, want vader Yep had daar nog tegen gereden. 'Hij weet echt alles', zei Kramer vervolgens vol bewondering en met pretoogjes. Want met al z’n chaos, z’n soms lompe uithalen en hier en daar regelrecht geraaskal, was hij buitengewoon erudiet, innemend, gunnend. Dan sleurde hij me bij de politieke nieuwjaarsborrel van Tros Kamerbreed naar Jan Marijnissen van de SP toe en galmde dan met z’n bekende uithaal tegen Marijnissen: 'Déze man moet je ontmoeten!' En overvallen als ik was door z’n actie, kon ik natuurlijk geen fatsoenlijk woord uit m’n strot krijgen tegen de worstendraaier uit Oss. Die gelukkig de ongemakkelijke situatie ook wel aanvoelde en over een obscure Marx-analist begon, waar nog nooit iemand van had gehoord. Behalve Martin, die het hele oeuvre kon dromen natuurlijk en er een uitgebreid gesprek over aanknoopte.





Zes jaar lang heb ik iedere zaterdagochtend genoten van het cabaret dat hij bood, voor, tijdens en zeker ook na de uitzending, en heb ik een man mogen zien die volledig voor zijn boeken leefde. Die zich verwant voelde aan bevindelijk gereformeerden, maar ook fan van Madonna was. Die het graag had over 'het hele erge', soms met details die je echt niet wilde horen, die een vurige passie had voor wielrennen en geschiedenis en daar prachtige boeken over schreef, die de verhalen die hij las bijna zelf beleefde, als hij met gesloten ogen voordroeg uit alweer een parel uit de literatuur die alle anderen gemist hadden.


En zijn enthousiasme zette ook mij aan het schrijven van boeken. Een artikel over de Yom Kippoer-oorlog van mijn hand was voor hem reden om van me te eisen dat ik een biografie over de Israëlische premier Ariel Sharon zou schrijven. Het was geen verzoek, het moest gewoon. 'En dan doet Ruud Hoff een boek over Arafat', zei hij er bij. En zo geschiedde. Hij kwam er speciaal voor langs in mijn huis, dat toevallig midden in zijn geboortewijk Klein Rome stond. Toen ik tegensputterde zei hij: 'Jij bent een schrijver, doe het nou maar', en daarmee was de kous af.


In 2007 nam hij met veel kabaal afscheid van de TROS. Hij was nog niet klaar met zijn missie, vond hij zelf, maar er werd anders beslist en hij accepteerde het knarsetandend. Ik heb toen met collega Kimo Demoed een afscheidsreportage gemaakt. Van zijn boekengrot in Putten tot de boekenmarkt van Den Haag. Onderweg vond hij het nodig af en toe 200 te rijden, maar we kamen levend aan bij het Binnenhof. Nog geen tien minuten later had hij 3 plastic tassen vol met boeken gescoord, die ik natuurlijk voor hem kon dragen. Mooi moment leverde alweer Jan Marijnissen op, die over de markt 'Heee, Martin!' schalde en hem als vriend begroette. Gelukkig werd ik niet nog een keer aan 'm voorgesteld.


Ik hoorde vandaag dat hij aan corona is overleden. Ik hoop dat hij zacht is heengegaan. Hij was altijd al gebiologeerd door de grote gebeurtenissen van zijn tijd: de Tweede Wereldoorlog, de Watersnoodramp, de ondergang van de Sovjet Unie, de komst van en de moord op Pim Fortuyn, hij lééfde al die gebeurtenissen. Was begaan met mensen die vermalen werden onder de wielen van de geschiedenis. En dan is de ironie groot dat hij zelf als slachtoffer is bezweken in een pandemie van historische proporties. Maar misschien moet ik het anders bekijken, en had hij er zelf gewoon de tragische schoonheid van ingezien. Ik denk en hoop eerlijk gezegd het laatste.

Rust zacht Martin.



Martin Ros
Martin in discussie met boekenliefhebbers op de Haagse boekenmarkt

#schrijvers #boeken #interview

6 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven